Słownik Pl - Nl |
|
a :: b :: c :: ć :: d :: e :: f :: g :: h :: i :: j :: k :: l :: ł :: m :: n :: o :: ó :: p :: r :: s :: ¶ :: t :: u :: v :: w :: x :: y :: z suterena - kelder zależeć afhankelijk zijn, afhangen | wspaniały overweldigend, grandioos, groots | szept murmelen, murmelen (v. beekje) | archiwa archief | mnóstwo massa, drom, hoop, menigte, boel | przyrzekać beloven, toezeggen, uitloven | orbita okołoiziemska oogkas, baan | wygasnąć aflopen, ophouden, uitgaan, eindigen | brud fond, ondergrond, bodem, grond, aarde | kafelkować scheppen, creëren | analizować analyseren, ontbinden, ontleden | forma vormen, formeren, aangaan | pies hond | geneza oorsprong, afkomst, herkomst | ukochana osoba schat, lieverd, lieveling, liefje | kawałek fragment, brok | cegła bakstenen, stenen | ponury aalwaardig, gemelijk, aalwarig | rama czasowa in een lijst zetten, inlijsten, vatten | stryj oom | |