Słownik Pl - Nl |
|
a :: b :: c :: ć :: d :: e :: f :: g :: h :: i :: j :: k :: l :: ł :: m :: n :: o :: ó :: p :: r :: s :: ¶ :: t :: u :: v :: w :: x :: y :: z zdecydowanie - definitief, voorgoed róg accapareren, opkopen | przyrostek suffix, achtervoegsel | dzwonić wal, beugel, ring | szarpać vaneenscheuren, doorscheuren | rozgłos onderscheiding | bankrutować vermorzelen, intrappen, verbrijzelen | dłuto beitelen | stojący oprichten, stichten, inrichten | ukryć vel, dierevel, vacht, pels, huid | oświadczać się uitspreken | akcie doen, bezig zijn, ageren, handelen | Java Java | nieletni puber | skrót hijsen, ophijsen | w żałobie per, in, te, binnen | wentylator aanwakkeren, aanvuren, aanzetten | uświęcony geheiligd, gewijd, heilig, sacraal | aborygen Australische inboorling, aboriginal | handel elektroniczny handelen, handel drijven | generować wykres landkaart, kaart | |