Słownik Pl - Nl |
|
a :: b :: c :: ć :: d :: e :: f :: g :: h :: i :: j :: k :: l :: ł :: m :: n :: o :: ó :: p :: r :: s :: ¶ :: t :: u :: v :: w :: x :: y :: z łopatka (wirnika - kling, lemmer, lemmet wzrok gezicht, visioen, droombeeld | waluta muntsoort, valuta | starszy ouder | radzić adviseren, bekendmaken, aankondigen | brązowy bruin | tynk kalken, aanstrijken | ciężarówce vrachtwagen, truck, vrachtauto | farcie bof, mazzel, geluk, buitenkansje | zduciś vernietigen, verwoesten, vernielen | osłona kruisband, wikkel, banderol | przydzielać (środki) adj odpowiedni betekenen, dagen, dagvaarden | kontrola checken, aflezen, controleren | spajać nie zich aansluiten, lid worden, toetreden | wykres słupkowy afbeelding, figuur, beeld | szczytowy poziom afknotten | rata roczna afbetalingstermijn, annuiteit | całkowity vandoor, heen, verwijderd, over | płoza uitglijden, slippen | kleik moes, brij, pap | postęp gaan naar, aanpakken, genaken, naderen | |